Pagina's

30 juli 2013

De muzikale kant van Hans Maier, zijn inzet voor Bayreuth en Richard Wagner

Wagner en Bayreuth behoorden, toen ik Beiers Cultuurminister (1970-1986) was, natuurlijk tot mijn werkterrein. En als ik geïnformeerd heb hoe de zaken er voor stonden stiet ik op een heel kritische situatie die ik niet kende. Men had al twee partituren verkocht en de financiering van de Festspiele was in hoge mate in gevaar. En het was onzeker hoe het überhaupt met de Festspielen verder moest. En dan heb ik de belanghebbenden of de komende belanghebbenden, namelijk de stad Bayreuth, het district  Oberfranken, de vrijstaat Beieren en de Bond bijeengebracht. Mijn relaties waren van voordeel. In de Bond was toen Maihofer minister van Binnenlandse Zaken en wij waren beiden moderatoren van de Studiestichting. Zodoende was een telefoontje genoeg. Met Goppel lag het moeilijker maar ik heb hem duidelijk gemaakt dat Richard Wagner, ofschoon de Munchenaren hem niet mochten, toch een stuk Beierse traditie geworden is, door koning Ludwig II, en dat men Bayreuth niet mocht laten ondergaan. De Bayreuther Oberburgermeister was een heel plooibaar mens en het district Oberfranken deed zonder meer mee. Ten slotte werd het het moeilijkst met de zogenaamde stammen in het Wagnergeslacht. Dat is me toch een Atridenfamilie! Maar we hebben het voor elkaar gekregen, na enige jaren is de Wagnerstichting werkzaam geworden hierop berusten tegenwoordig de Festspielen. Dus dit is gegarandeerd tot de Jongste Dag vooropgesteld dat niet iemand onverwachts uittreedt.

Hans Maier
Ja, ik heb Wagner niet slechts gehoord maar ook gelezen en ik was voor alles door zijn werk "Het Jodendom in de Muziek" ontzet. En een beetje kan je dit in de muziek ook horen. Ik heb aan de piano al vroeg de hele Wagner ouvertures voor ogen en in oren gehouden en ik was natuurlijk enthousiast maar na de oorlog kreeg ik toch twijfel voor alles als toch beetje bij beetje uitkwam hoe nauw de verbinding van "oom Wolf", zeg Hitler, en Winifred Wagner op de groene heuvel geweest is. Maar dan kreeg mijn gedachte toch de overhand deze traditie in ieder geval te behouden, het zou een groot verlies zijn als zij verloren ging. En ik ben dan ook heel verheugd dat het toch gelukt is deze stichting te laten functioneren. Ik heb dan ook de legendarische Ring gehoord met Patrice Chéreau en dat was me een ongelofelijke gebeurtenis, daar stonden naast mij het hoofd van de Beierse Staatskanselarij en floot op een sleutel en het was een geweldig tumult en mijn vrouw en ik, wij stonden erbij en applaudisseerden! Er was geen handgemeen. En tot geluk had dan Wolfgang Wagner ook een vorm gevonden altijd maar tijdgenoten aan te trekken en nieuwe accenten te zetten.

Ofschoon, de lichamelijke strijd zou ik gewonnen hebben! Dat eens een vriend van mij heeft gezegd: nou ja, als je een beetje oefent zou je nog een goede hit kunnen worden! Maar dat was in mijn vroege jeugd, ja.

"Politiek is Mensenwerk"
De politicoloog en CDU-politicus Hans Maier geïnterviewd.
Deutschandfunk 27-6-2013









28 juli 2013

Rita Reys op de Deftige Debating Academie

Op de vaste avond van de Academie, onze debatingclub, op het R.K. St.-Ignatiuscollege te Amsterdam voor de H.B.S. hoogste klassen, moesten wij als bestuur, waarvan in de jaren 1960-1961 Paul Woltering voorzitter en ik secretaris waren, een half uur vooraf wat zaken op orde brengen: de tafeltjes en stoeltjes schikken, de bestuurstafel van een groen kleed voorzien en een glazen asbak neerzetten voor de moderator, de directeur van de H.B.S. pater Dr. Chr. Jansen S.J. 

De rituele betekenis van de asbak wordt ons thans duidelijk als de zeergeleerde Heer Jansen na de opening van de zitting een bolknak uit het folie haalt en aansteekt. Met dezelfde lucifer toucheert hij het folie in de asbak wat onmiddellijk in brand vliegt en een steekvlam veroorzaakt de lucht in, gedurende zeer korte tijd. Wij waren gebiologeerd door deze scheikundige oxidatie.

Het was dan nog muisstil, wij praatten weliswaar met elkaar doch de levendigheid van de zitting moet nog gebeuren. Veel gedisciplineerder dan de hoogste Gym-klassen die ook in de retorica leren, met als moderator pater Cornelissen S.J. waar met een uitbundig theatergeschreeuw en -gekrijs elke spreker werd belaagd. Hier niet, wij waren nette beschaafde heertjes.
Dus zetten wij de radio aan met als zangeres Rita Reys. Jazz is helemaal niet mijn smaak maar de stilte te breken en wat gezelligheid te hebben was ons bestuur best goed. De moderator moest nog komen.
Een aantal weken is dit zo muzikalerwijs gegaan totdat in het laatste woord een nette scholier de mening uitte dat de Academiezaal (op de zolder van De Fabriek) het binnentreden onder de tonen van de zangeres niet gewenst is. Nou vraag ik je, het is hier toch geen religieuze bijeenkomst? Er was geloof ik geen oppositie, dus het besluit was genomen geen radio meer aan te doen.

Natuurlijk moest ik dit in de notulen opnemen, het met mijn schoolse handschrift voorziene zware folioboek dat ik op de reünie van 16-9-1995 nog heb kunnen inzien.


Jazz-zangeres Rita Reys overleden

25 juli 2013

Huub Mous - Modernisme in Lourdes, Gerard Reve en de secularisering

Oproep tot Voorintekening

 

Geachte lezer van dit weblog

door Huub Mous

 

 

Uitgeverij Aspekt wil mijn manuscript Modernisme in Lourdes, Gerard Reve en de secularisering gaan uitgeven. Het boek zal in december verschijnen in een oplage van 1000 exemplaren (circa 270 pagina’s, verkoopprijs 20.00 Euro). Daarvoor is het wel nodig dat er voor 1 september a.s. 200 exemplaren op voorintekening door mij zijn verkocht. Daarom wil ik u vragen of u bereid bent dit boek alvast bij mij te bestellen. Zodra het verschenen is, krijgt u het – met een nota en zonder portokosten – toegestuurd. Mocht u belangstelling hebben, dan kunt u zich opgeven door een mail met uw naam en adres te sturen naar:

huub [apenstaart] huubmous [punt] nl

Hieronder vindt u een korte samenvatting van de inhoud en een cv. Bij voorbaat mijn dank en vriendelijke groet,

Huub  Mous

***

Modernisme in Lourdes

Gerard Reve en de secularisering 

 

Synopsis
Bij alle aandacht, die het heimwee naar het modernisme vandaag krijgt, is het katholieke modernisme van na de oorlog wonderlijk genoeg voor velen achter de horizon verdwenen. Die verdwenen utopie kwam niet alleen tot uiting in de progressieve stromingen van de naoorlogse theologie, die zijn bekroning vonden in het aggiornamento van Paus Johannes XXIII, maar is ook – of all places – in Lourdes terug te vinden. Dit boek is een zoektocht naar een verloren utopie, een vergeten toekomst die nooit heeft plaatsgevonden. De figuur Gerard Reve, die zich in de jaren zestig bekeerde tot het rooms-katholicisme is hierbij mijn gids. In dit boek wil ik het werk van Reve opnieuw bezien, niet alleen tegen de achtergrond van herinneringen aan mijn eigen katholieke verleden, maar ook in het kader van de ontwikkeling van het katholicisme na 1945.                                                                            
Nostalgie was een van mijn drijfveren bij het schrijven van dit boek, dat wil zeggen: een reflexieve vorm van nostalgie, zoals die beschreven is door Svetlana Boym in haar boek The Future of Nostalgia (2002). Maar daarnaast ook verwondering over de vraag, hoe het mogelijk was dat het katholicisme in de jaren zestig de afslag naar de mystiek heeft gemist, terwijl juist de mystiek over elders opbloeide, niet alleen in het werk van Reve, maar ook in de jeugdcultuur en de zogeheten ‘Oosterse Renaissance’.                   
In de recente biografie van Nop Maas komt dit perspectief amper aan bod. Nop Maas weet veel over Reve, maar weinig over het katholicisme. Ik wil op zoek gaan naar Reve, naar de plekken waar hij geleefd heeft en die hij bezocht: Betondorp en de Rivierenbuurt in Amsterdam, Greonterp en Blauwhuis in Friesland, maar ook Heiloo, Avila, Fatima en Lourdes. Kortom, plaatsen en bedevaartplaatsen die toevallig vaak ook plekken zijn die in mijn eigen leven van betekenis waren. Reve was op de vlucht voor de ziekte van de grote stad, zoals Jung die had herkend in de groeiende  goddeloosheid van de westerse cultuur. Maar Reve deed dat in een tijd waarin theologen juist de stad als een metafoor voor een nieuw soort seculiere religie gingen zien.
Maar daarnaast gaat dit boek vooral ook over tijd. Dat wil zeggen: de ervaring van de tijd zelf, niet alleen het verschil in tijdsbeleving tussen stad en platteland, maar vooral ook de verandering van tijdsbeleving mettertijd. In de jaren zestig veranderde er iets wezenlijks in de beleving van de tijd zelf. Een jonge generatie ontdekte opeens een vals bewustzijn van de tijd. Dat bewustzijn wilde men doorbreken met een overdosis authentieke ervaringen in het hier en nu.
Reve probeerde aan de beklemming van de valse tijdsbeleving te ontkomen door zijn toevlucht te nemen tot de religie, terwijl juist de religie door een jonge horde van maatschappijhervormers als hofleverancier van een vals tijdbewustzijn werd beschouwd. Maar ook de religie zelf raakte op drift in de draaikolk van de tijd. Kortom, tijd en religie raakten met elkaar in de knoop in het midden van the sixties.

Over de auteur 

Huub Mous werd in 1947 geboren in Amsterdam, waar hij ook opgroeide en zijn studietijd doorbracht. Hij is kunsthistoricus en publicist. In diverse functies was hij gedurende dertig jaar werkzaam in Friesland als organisator en adviseur op het terrein van de beeldende kunst. Hij publiceerde over diverse onderwerpen in tijdschriften en museumcatalogi, onder meer voor Kunst- en Museum Journaal, De Gids, Tirade en Museum Boijmans van Beuningen. In 2000 was hij artistiek leider van het Frysk Festival. Van 2001 tot 2007 was hij docent bij Academie Minerva in Groningen. Op uitnodiging van het Fries Museum stelde hij in 2008 de tentoonstelling samen De kleur van Friesland, beeldende kunst na 1945. Dat was ook de titel van het boek dat in dat jaar verscheen bij de Friese Pers Boekerij. In 2005 verscheen van zijn hand: Reizen door de tijd, publieke kunst in Fryslân 1945-2005.  Zijn essay Slauerhoff en het onbehagen in de cultuur maakt deel uit van de bundel De fascinatie voor Slauerhoff (Uitgeverij Bornmeer, 2011). In 2011 verscheen bij Uitgeverij Candide: Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose, met als coauteurs Egbert Tellegen en Daan Muntjewerf (besproken in: VPRO Boeken, 8 januari 2012). Sinds 2006 schrijft hij dagelijks een weblog op zijn internetsite (www.huubmous. nl).

16 juli 2013

Drie memorabele Lezingen in het Goethe Institut 80er - Sebastian Haffner - Lew Kopelew - Hans Mommsen (+ Hans Keilson)

Schreef ik al over de Wagner-200 (hlink) in het Goethe Institut Amsterdam, ik moest onwillekeurig denken aan een aantal lezingen die ik in deze fraaie zaal van het historische grachtenpand te Amsterdam heb gevolgd in de 80er vorige eeuw. Zij staan mij nog bij als gister maar ik bespaar mij de moeite om in mijn archief te duiken aangezien het niet zozeer gaat om de inhoud als wel om de directe verschijning. Zo weet ik momenteel niet alle juiste data maar dit is niet onoverkomelijk.

Sebastian Haffner, geboren als Raimund Pretzel en gepromoveerd jurist sprak over zijn in 1978 uitgegeven essay Anmerkungen zu Hitler. Haffner heeft een vrij forse gestalte en een groot hoofd. Zijn stem is bescheiden en vrij zacht, hij glimlacht. (Niet dat Amerikaanse glimlachenderwijs spreken met tandpasta.) De man gaf ter zake kundige informatie waarna er gelegenheid was tot het stellen van vragen. Die bleven ook komen, ook van vragen kan je leren. Maar dan opeens vraagt een wellicht Joodse vrouw of hij ook het boekje van een zekere Stein kent? "Ich kenne den Stein zwar wohl sondern habe sein Werk nicht hier verarbeitet." Daar bleef het bij maar mij bleef bij dat een stomme vraag een zo knappe spreker bepaald schade kan doen na zoveel goede dingen die hij ons reeds schonk. Heeft ze zelf aan de afgelopen woorden dan niet genoeg gehad?

Haffner werd wel als commentator gevraagd bij de serie The World in War en bij een meerdelige film over het ontstaan van Pruißen.

Lew Kopelew van Joodse afkomst, gepromoveerd Germanist, sprak op 2 oktober 1989. Doel was inzage te geven in zijn omvangrijke studie over de Duitsers en Russen (hij was meer moderator dan onderzoeker). Als Kopelew spreekt in zijn toch wel vlot brabbelduits blijft hij zonder adem doorgaan, het is iemand die verbluffend goed thuis is in zijn eigen zaak. Een man van zo een internationale importantie meemaken is bijna een voorrecht!
Medio 90er las ik zijn discussie met Heinrich Böll waarin onophoudelijk, weer dat oneindige doorpraten, de totale corruptie van de maatschappij Sovjet Unie aan de kaak werd gesteld, zeg maar honderden kaken. Het is onbeschrijfelijk.

Heinrich Böll Lew Kopelew Heinrich Vormweg - Anti-Kommunismus in Ost und West (dtv München juni 1984, © 1982) Twee gesprekken.
Deutschlandfunk 9-4-2012 Vermittler in Krieg und Frieden - 100e Geboortedag.

Hans Mommsen, achterkleinzoon van Theodor, gepromoveerd historicus. De man was net met de sneltrein uit Keulen aangekomen en dus wat buiten adem. Gelukkig dat wij niet hoefden te wachten.
Ik zei al, het eigenlijke onderwerp weet ik nu niet, ik heb mijn aantekeningen niet gepakt, wel dat de tekst snel afboog naar de allang in de belangstelling staande en verhitte Historikerstreit waarin prof Ernst Nolte (geb. 1923) gangmaker is geweest. Mommsen liet met ironie blijken deze affaire maar iets voor ouderen te vinden. Was deze Nolte maar in het Goethe Institut gekomen doch dat zal bij het publiek wegens de academische lading dezer discussie wel niet zo goed gevallen zijn, laat staan begrepen. Voor mij is het ook moeilijke kost.

Ik studeerde in Theodors Römisches Strafrecht met steeds de indeling per onderwerp in Koninkrijk, Republiek en Keizerrijk.

Lezing 16-3-1989 in Goethe, inschrijving verplicht. Hem gingen vooraf Otto von der Gablentz, prof George L. Mosse en prof. Dr. Lutz Niethammer.
Ook op de UvA bijeenkomsten vanaf april 1988, grote belangstelling!
"De strijd" begon met een artikel van Jürgen Hamermas in juli 1986.


Toevoeging (28-8-2019)
Hans A. Keilson over zijn Sequentielle Traumatiserung (diss. 1979) met onderzoek van 200 Joodse weeskinderen na 1945. Lezing Goethe-Instituut 8 februari 1988. De meeste wezen werden ondergebracht bij protestantse gezinnen met als tweede katholieke. Op twee na behielden ze hun nieuwe geloof. Aan het eind nog razend snel de affaire Anneke Beekman.
 





















 





11 juli 2013

Bezoek van Willem Marinus Kardinaal van Rossum C.Ss.R. aan ’t St.-Ignatius-College op 12 juli 1913




Bezoek van Willem Marinus Kardinaal van Rossum C.Ss.R. aan ’t St.-Ignatius-College op 12 juli 1913. 

Willem Marinus van Rossum 1854-1932 [Begijnhof Amsterdam]

De aula aan de Nicolaes Maesstraat om half twaalf is met groen en bloemen getooid.  Op het podium een troonhemel opgeslagen. Alom Perzische tapijten. Het schoolorkestje o.l.v. pater Duurkens S.J. speelt de Priestermarsch uit Athalia van Mendelssohn Bartholdy (op. 74) 

Het zijn de paters Jezuïeten geweest die door de eerste wetenschappelijke vorming en priesterlijke opleiding de grondslag legden voor zóó luistervol een  leven van Willem van Rossum.

De kardinaal draagt thans steeds het lint van het Grootkruis van de Nederl. Leeuw.

Toespraak door rector Van Everdingen (de ”bouwrector” van de nieuwbouw Hobbemakade).
 
Eminentie,

In deze zaal ziet Uwe Em. vergaderd de leeraren en leerlingen van het St. Ignatius-college, waarbij zich hebben gevoegd een afdeling van de scholen der Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis, der Broeders van den H. Aloysius en van het College St. Nicolas met hunne leermeesters.
Oprechten dank zij Uwe Eminentie gebracht voor de hooge gunst van dit bezoek.
Wij leerlingen en leeraren, zien in Uwe Em. een roem van Nederland, die gesterkt door Gods genade van Zijne jeugd af met onbezweken ijver zijn plicht heeft betracht in stille werkzaamheid en vroom gebed.
Wij vereeren in Uwe Em. den priesterlijken zoon van Sint Alphonsus de Liguori, predikend door woord en voorbeeld het rijk en de liefde van Jezus, bij wien en in wien is overvloedige verlossing (devies Redemptoristen).
Wij vereeren in Uwe Eminentie den Kardinaal der H. Roomsche Kerk, staande zoo dicht bij onzen H. Vader Paus Pius X, vertrouwden raadsman van Christus’ plaatsbekleeder op aarde.
Reeds hadden wij het voorrecht, dat Uwe Eminentie door onze rangen hier uwe intrede deedt in Amsterdam.
En onze gedachten zijn teruggegaan naar geheel andere toestanden in oude tijden. Toen trokken van Rome uit trotsche imperatores, aan  het hoofd hunner legioenen, zij kwamen hier in de lage landen van den Rijn en rond het Flevo-meer Hun weg was geteekend door bloed en vuur en plundering.
Ook Uwe Em. is gekomen van dezelfde Tiberstad in deze zelfde streken als een veroveraar. Veroverd heeft Uwe Em. stormenderhand aller liefde; de liefde voor den werkman en den patricier, de liefde van den wees en de ouden van dagen, de liefde van den priester en den leek, de liefde ook van deze bloeiende jeugd, die aan Uwe voeten nederzit, de liefde hunner leeraren.
Aanvaard, Eminentie, onze dankbaarheid voor Z.H. den Paus en wel in het bijzonder voor het groote voorrecht ons geschonken, dat wij dagelijks aan deze jongeren mogen uitreiken het Brood des Levens (Pius X, invoering kindercommunie).
Onze jongeren moeten hard werken, willen zij slagen op een Gymnasium en Hoogere Burgerschool. Zij leven te midden eener wereld, die dood en verderf biedt onder het lokaas van waan en ijdelheid en genot.
Ons menschelijk pogen schiet te kort.
Wie zal deze jonge geesten beter verlichten dan de Ongeschapen Wijsheid Gods, wie hun reinheid beter beschermen dan Jezus, Zich Zelven gevend in het Brood der Engelen?
Pater Bernard van Meurs zegt het zoo treffend in het gedichtje, dat wij lazen in “De Tijd”: gedurende 40 jaren heeft hij de beeltenis van den Kuilenburgschen (Culemborg) student (klein-seminarie der paters Jezuïeten) trouw bewaard; wij willen biddend de beeltenis van onzen Nederlandschen Kardinaal heel ons leven trouw bewaren in onze dankbare harten.

Met de grootste aandacht had Z. Em. deze toespraak aangehoord.
Dan trad een der leerlingen naar voren.
Door den heer Ant. Geels, prefect van de Congregatie der leerlingen, werd de volgende toespraak gehouden.

Eminentie.

Onze jonge harten jubelen van vreugde, omdat de Heilige Roomsche Kerk van Nederland, herrezen en hersteld na drie eeuwen van vervolging en strijd – door Uwe en onze vaderen gestreden – thans voor ‘t eerst, zoolang de wereld staat, in onze eigen dierbare moedertaal Nederlandschen Kardinaal op Nederlandschen bodem mag begroeten.
Eminentie, de leerlingen van het St. Ignatius-college te Amsterdam zijn bijzonder gelukkig, omdat wij U vandaag persoonlijk onze eerbiedige, nederige hulde mogen aanbieden en onze blijde dankbaarheid mogen uiten.
Wij danken den Heiligen Vader, die U verhief en die U vergunde naar het vaderland te komen, opdat het katholieke Nederland U zou kunnen huldigen; wij danken vooral Uwe Eminentie van ganscher harte, omdat U heden onze jeugd met Uwe hooge tegenwoordigheid wilt gelukkig maken.
Geheel ons leven door hopen wij die dankbaarheid te toonen door nooit te vergeten, dat wij Roomsche Nederlanders zijn en Roomsche Amsterdammers. Als Roomsche Nederlanders zijn wij, gelijk Uwe Eminentie, de landgenooten en nazaten der H.H. Martelaren van Gorcum en zoovele andere bloedgetuigen en strijders en lijders voor ’t Allerheiligste Sacrament en den Stoel van Petrus – de landgenooten ook der heldhaftige Zouaven. Als Amsterdammers zijn wij de stadgenoten van Gerardus Erftemeijer en Petrus Heijkamp, die te Bagnora en Mentana hun bloed vergoten voor de zaak des Pausen – als Amsterdammers gaan wij er trotsch op kinderen te zijn der gezegende Stad aan ’t IJ, wier Eucharistische wonderen Uwe Eminentie op zoo heerlijke wijze in de Keizerstad aan den Donau der Wereld verkondigd hebt.
Neen, Uwe Eminentie behoeft ons niet te herinneren, waarom ook daar ginds op het vaan onzer Congregatie de Keizerskroon het stedelijk wapen dekt en ook van onze vaderstad mogen wij even goed getuigen, wat Uwe Eminentie tot Weenen heeft gesproken: “Uw heil, Uw sterkte, Uw leven, Uw glorie was steeds in het Allerheiligste Sacrament.” Zoo was het – zoo moet het zijn en blijven.
Edelmoedige, sterke zonen willen we zijn van God en de Kerk, gesterkt door Christus’ vleesch en bloed.
O, Eminentie – U heeft immers als Kardinaal altijd gehoor bij den Heiligen Vader – bedankt toch voor ons Zijn Heiligheid, omdat Hij aan de Roomsche jongens van Amsterdam – als hartewensch en den wensch van Christus en Zijn Kerk heeft kenbaar gemaakt en ingeprent: Zoodra en zoo vaak mogelijk tot de H. Tafel!
Geef ons dan, Eminentie, Uwen hoogen priesterlijken zegen opdat wij trouw aan den Paus – en zooveel mogelijk gestaald door het Brood, dat helden maakt – onder de hoede en met den Altijddurenden bijstand onzer Goede Moeder den goeden strijd mogen strijden tot het einde.

Toen deze toespraak in schrift aan Z. Em. was aangeboden, sprak Zijne Eminentie zelf als volgt:

Zeer Eerwaarde Pater Rector.
Zeer Eerw. Professoren.
Dierbare Jongelingen. 

Het is mij een ware voldoening en een grote vreugde geweest in uw midden te verschijnen. Niet alleen om daarmede blijk te geven van mijn hooge belangstelling in het onderwijs, maar ook om een gansch bijzondere reden, omdat ik nl. mijn opvoeding en onderricht heb te danken aan de paters, wien ook gij uw opvoeding dankt, den paters Jezuïeten.
Zeer Eerw. Pater Rector, zeer Eerw. Professoren, ik wens u van ganscher harte geluk met de schoone resultaten van uw heerlijk werk. Groot is uw opoffering, groot is echter ook de troost die gij put in de overtuiging, dat gij jongelingen kweekt sterk in het geloof en krachtig door het Brood, dat sterkte geeft.
En u, mijne dierbare jongelingen, ik wensch u geluk met de opvoeding, die gij hier van de zeereerw. paters moogt ontvangen. Dat is een kostbaar goed, een schat door God u geschonken.  Hecht u aan uwe onderwijzers, weest volgzaam. En wanneer zij u opwekken dikwijls tot de H. Tafel te naderen, o doet dat dan. Een van de schoonste gedachten waarmede een uwer mij het meest verblijd heeft, is, hoe gij er hoogen prijs op stelt, dat Z. H. de Paus het mogelijk heeft gemaakt u dikwijls te vereenigen met Jezus in het H. Altaarsacrament. Ge hebt mij gevraagd aan den Paus mede te deelen hoe dankbaar gij Hem zijt.
Dat zal ik doen. En de Heilige Grijsaard van het Vaticaan zal daaruit troost ontvangen en gelukkig zijn u den weg te hebben gewezen tot uw geluk.
Thans zal ik u den Pauselijken zegen geven. Z. H. heeft mij opdracht gegeven, in alle bijeenkomsten, die ik bezoeken mocht Zijn bijzonderen Pauselijken zegen te verleenen, waaraan een volle aflaat verbonden is. Moge die zegen u bevestigen in uw geloof, bevestigen in uw heilige voornemens om nut te trekken in Zijne H. leiding. Weest edelmoedige frissche jongelingen met een vrij geweten. Later zult gij dan zijn de steun der maatschappij, de vreugde uwer ouders.

Vervolgens verleende Z. Em. aan de neergeknielde aanwezigen den zegen des Pausen.
Hierop verliet Z. Em. de zaal om zich nog even naar de kapel op de bovenverdieping te begeven en een blik in het grootsche college te werpen.
Dan nam Z. Em. van den rector en de verdere aanwezigen afscheid.










De Tijd – Godsdienstig-Staatkundig Dagblad.
12-7-1913
N°20025
Koninklijke Bibliotheek